16-01-13

In de reeks internationale ontmoetingen

 

IMG_3211.JPG

 

Chen Jianfeng

 

Is een Chinees.  Kwam in de jaren 1990 ongeveer, naar Leuven studeren.  Op een kamer van vier op vier in de ’s Meyersstraat, waar ook het studentenblad Veto zijn hoofdkwartier had.  Ik ontmoette hem op de fruitplantage van mijn vader zaliger, waar hij zich ingeschreven had om er een paar maand aan de fruitpluk mee te werken, samen met een tiental mensen uit de streek hier.  Elke dag reed hij met zijn fiets van Leuven, zeventien kilometer verder naar de verschillende laagstamboomgaarden.  Een echt Brabants werkpaard was hij, één en al ijver met zijn groot stevig hoofd en altijd die beminnelijke of zeer brede lach.  Niemand kon hem volgen. In het naar de nieuwe, steeds opschuivende normen, kleinschalig fruitbedrijf; diende de kar nog te worden getrokken; met tien bakken Schone van Boskoop van elk twintig kilo of met zware kisten Doyené, hij vloog de Hagelandse heuvels op en af.  Chen, eigenlijk zijn achternaam, maar voor ons was het korter;  studeerde voor architect in het Engels, maar dat was nog voor veel verbetering vatbaar; dus  ’s avonds soms zocht ik hem op om hem wat meer vloeiends van die taal bij te brengen.  Hij had een vrouw en dochter in China, Caixa en Dylis.  Toen hij ze liet afkomen  deelden ze zijn 4X4 kamer, later vroeg ik hen in mijn relatief kleine eenmans rijhuisje te komen wonen,  aparte huishoudens.        Caixa ging in een Chinees restaurant werken en Delice leerde op één jaar tijd als zesjarige Nederlands.  Om nog wat bij te verdienen ontwierp Jianfeng Chinese  interieurs voor Chinese restaurants tot in Nederland en de Walen…niet alleen op papier, maar ook volledig uitgewerkt en met mijn hulp, geleverd en al.  Hoe hij zijn eindwerk over de Chinese  Bouwkunst klaarkreeg was mij een raadsel.  Uit China stuurde men hem honderden foto’s en op mijn allereerste primitieve Brother computer schreef hij er levendige commentaren bij (in ondertussen vloeiend Engels).  Binnen een korte tijdspanne, kende ik 27 Chinezen in Leuven, en als ze hun Nieuwjaar vierde en er moest worden gegeten, amaai, die kleine schoteltjes bleven maar komen en wat ik nooit voor mogelijk had gehouden, ik leerde met stokjes eten.  Buiten in de kleine smalle tuin hadden we een geïmproviseerde pingpongtafel gemaakt, grootse spannende tornooien zijn daar gespeeld, terwijl Caixa de resten van de zwaardvis van waar ze werkte, geel lachend klaarmaakte en Dylis zong, wat klonk als “woo thei an, an tei woo” enz…toen ik Chen vroeg wat het betekende, zei hij dat het een loflied op de partij was, maar toen ik het een keertje aan Dylis vroeg, zei die dat het ‘God is groot’ wou zeggen.  Op een dag was er een aardbeving en ik werd gewekt door de vele glazen die op de kamer boven op een  houten karretje van hun begonnen trillen.  Mensen kwamen buiten in de smalle Rondestraat om te zien wat er aan de hand was.  In de straat stond mijn Fiat Uno klaar om een  viertal weken een 9000km lange reis door het Oostblok, Griekenland, Italië en zo langs de Zwitsers en Fransen terug naar Leuven te maken.  Chen Jianfeng haalde zijn diploma en vertrok terug naar Ningbo, nadat hij op het punt had gestaan in Hongarije een Chinees restaurant te openen.  Jianfeng en Caixa kregen een tweede kindje, een zoon en vertrokken dus naar China, waar hij voor een bouwfirma ging werken en later zou hij een zaak in bouwmaterialen beginnen.  Caixa kon geen woord Nederlands, maar we hebben mekaar altijd al glimlachend en met gebaren begrepen.  Hoe zou het met hun allen ondertussen zijn en met al die gezamenlijke kennissen ? 

 

Wat een periode, na de Chinezen kwamen er Koerdische vluchtelingen van de eerste  Irakoorlog te verblijven bij mijn Turkse gebuur en vrouw en kinderen, mijn computer had weer vertalingswerk en het was zomer en buiten speelden al hun kinderen tezamen, ook in mijn tuintje, waarvan ik de draad had weggedaan.  Enkele van de kinderen hun vaders zaten vast wegens illegaal, inmiddels zijn het allen zelfstandige werkers.  Ooit nam ik ze allen eens met de oude camionette mee om in het Meerdaalwoud de zorgen te vergeten.     Iedereen hielp mee mekaars klusjes op  te klappen en mijn buur kreeg er een heus zonneafdak achter zijn keuken bij.  In de Koerdische dorpen was men wel wat gewoon, sommigen moesten wel buiten slapen.  Ik probeerde hen er maar van te overtuigen dat vechten en vechten om een eigen Koerdische staat eigenlijk achterhaald is en dat we naar één wereld moeten waar de werkenden onder mekaar, van welke afkomst dan ook, alleen maar baat hebben bij sociale en economische eisen; dat de Koerden solidair moesten zijn met de toen in staking zijnde Turkse mijnwerkers.  Een eigen cultuur, die beleef je toch als je dat wil in je gemeenschap.

 

Ondertussen, een paar decennia later is het herbergen van mensen zonder papieren een misdrijf geworden geloof ik, met fameuze sancties.  Ok, niet iedereen kan naar hier komen natuurlijk, daarom is het dan ook hoog nodig dat de mensen in de landen met veel armoede, al die bourgeois klieken aan de macht aan de kant zet…en net als onze voorouders sociale gerechtigheid gaan eisen in plaats van bijvoorbeeld met die gewapende fanatiekelingen in dienst van imperialistische confrontaties mee te doen.

 

http://octosfilo-poeziepaginas.skynetblogs.be/internation...    welke landen , rassen nog niet te gast gehad; kan er geen bijbedenken

 

De commentaren zijn gesloten.